ECLI:NL:CRVB:2008:BD7666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijstand aan met ingang van 1 oktober 2004, aansluitend op het einde van haar WW-uitkering, maar meldde zich pas op 14 juni 2005 bij het CWI. Het College kende bijstand toe vanaf de datum van melding, zonder terugwerkende kracht, omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde. Zij voerde aan dat zij door psychische en lichamelijke klachten niet eerder bijstand kon aanvragen en zich zelfs van de werkelijkheid had afgezonderd.
De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij vanaf 1 oktober 2004 tot 14 juni 2005 niet in staat was een aanvraag te doen, mede omdat zij in die periode haar werkzaamheden als koordirigente bleef uitvoeren. De verklaring van haar huisarts vermeldde wel stress, maar geen zodanige problematiek die haar aanvraag eerder onmogelijk maakte.
Ook het verwijt dat het College onvoldoende onderzoek had gedaan, werd verworpen. De Raad bevestigde het besluit van het College om bijstand toe te kennen vanaf de datum van melding en wees het hoger beroep af.
De uitspraak werd gedaan door C. van Viegen en uitgesproken op 8 juli 2008.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bijstand wordt toegekend vanaf de datum van melding zonder terugwerkende kracht.