ECLI:NL:CRVB:2008:BD7681
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid en bevoegdheid bij weigering WW- en bovenwettelijke uitkering
Appellant werkte sinds 1988 bij de Sociale Verzekeringsbank en verzocht in juni 2005 de kantonrechter om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, welke op 1 oktober 2005 werd uitgesproken. Hij vroeg vervolgens een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering aan. Het UWV weigerde de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zelf om ontbinding had gevraagd. De SVB weigerde de bovenwettelijke uitkering om dezelfde reden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering niet-ontvankelijk, maar oordeelde dat de SVB onterecht weigerde de bovenwettelijke uitkering toe te kennen. In hoger beroep betwist appellant de verwijtbaarheid van zijn werkloosheid en stelt dat de werkgever tekort is geschoten in het re-integratietraject, waardoor de ontbinding niet aan hem kan worden toegerekend.
De Raad bevestigt dat het indienen van het ontbindingsverzoek in principe verwijtbare werkloosheid oplevert, maar erkent dat de werkgever onvoldoende rekening hield met de bezwaren van appellant tegen terugkeer naar zijn oude afdeling. Hierdoor wordt de verwijtbaarheid gematigd. Tevens oordeelt de Raad dat de beslissing over de bovenwettelijke uitkering een privaatrechtelijke grondslag heeft, zodat de bestuursrechter onbevoegd was. Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen, waarbij ook de schadevergoeding wordt betrokken.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen; de rechtbank is onbevoegd ten aanzien van de bovenwettelijke uitkering.