ECLI:NL:CRVB:2008:BD8417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- R. Kruisdijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant, werkzaam als ICT-consultant, viel in 2000 uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering die later werd herzien. Het UWV trok de uitkering per 1 februari 2004 in, omdat een verzekeringsarts en psychiater concludeerden dat appellant niet arbeidsongeschikt was voor zijn eigen werk. Appellant betwistte dit en voerde aan dat een andere revalidatiearts een gunstiger oordeel gaf, mede omdat deze behandelend specialist was en onderzoek dichter bij de datum van het besluit had plaatsgevonden.
De rechtbank verleende echter doorslaggevende betekenis aan het rapport van de door haar ingeschakelde onafhankelijke deskundige, revalidatiearts Van der Leeuw. Deze arts concludeerde dat beperkingen niet direct en objectief het gevolg waren van ziekte of gebrek en dat geen nieuwe medische ontwikkelingen de belastbaarheid beïnvloedden. De Raad volgde deze lijn en oordeelde dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige moet worden gevolgd, tenzij er zeer bijzondere omstandigheden zijn, welke hier niet werden aangetroffen.
De Raad nam mee dat Van der Leeuw ook kennis had genomen van de brieven van de andere revalidatiearts en dat deze laatste zelf aangaf geen oordeel te kunnen geven over de situatie per datum intrekking. Ook het argument dat Van der Leeuw onvoldoende rekening hield met de psychische klachten werd verworpen, omdat nader onderzoek niet noodzakelijk werd geacht. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de WAO-uitkering en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag.