ECLI:NL:CRVB:2008:BD8556
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW- en ZW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding in familiearbeidsrelatie
Appellant werkte vanaf 2002 bij [werkgever] en later bij [bedrijfsnaam], een doorstart van [werkgever], waarvan de moeder van appellant aandeelhouder was. Het UWV weigerde hem een WW- en ZW-uitkering toe te kennen omdat hij niet als werknemer werd aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond omdat de gezagsverhouding ontbrak, mede door de overheersende familieband tussen appellant en zijn vader die feitelijk leiding gaf.
Appellant voerde aan dat hij wel als werknemer moest worden beschouwd, maar zijn ontkenning werd niet overtuigend geacht. De rechtbank wees op aanwijzingen zoals een salarisverhoging tijdens ziekte en het feit dat appellant salaris ontving terwijl andere werknemers dat niet deden. Dit duidde op een andere behandeling dan reguliere werknemers.
De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de rechtbank en benadrukte dat de familieverhouding de arbeidsrelatie beheerst en dat de gezagsverhouding ontbrak. Ook de ongewone salarisbetalingen en de positieverbetering vlak voor faillissement wezen op een afwijkende arbeidsrelatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van WW- en ZW-uitkeringen bevestigd wegens ontbreken van een gezagsverhouding.