ECLI:NL:CRVB:2008:BD8563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toepasselijkheid FML bij WAO-uitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als wasserijmedewerker, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens psychische klachten. Bij de vijfdejaars herbeoordeling in 2002 werd hij onderzocht in Ankara, waar een obsessieve compulsieve stoornis en paniekstoornis werden vastgesteld. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast, maar concludeerde dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was.
De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies en schatte de arbeidsongeschiktheid op 7,5%, waarna het UWV de uitkering introk. Appellant voerde bezwaar aan met aanvullende medische rapportages en stelde dat de beperkingen onvoldoende waren vertaald in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Ook werd betoogd dat de geselecteerde functies niet actueel waren en dat het UWV aanvullende stukken moest overleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was, dat de FML adequaat rekening hield met de beperkingen, en dat de functies actueel waren. Het verzoek om een nieuwe psychiater werd afgewezen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond was en bevestigde het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.