ECLI:NL:CRVB:2008:BD8932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H.G. Rottier
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en arbeidsongeschiktheidsklasse na herbeoordeling
Appellante, geboren in 1949, werd ziek gemeld in 2003 en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. Tegen het bezwaar tegen dit besluit werd geen gehoor gegeven, maar de rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. In hoger beroep stelde appellante dat zij meer beperkingen had en dat een andere reductiefactor had moeten worden toegepast, wat zou leiden tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.
Tijdens het hoger beroep kwam het UWV terug op het eerdere besluit en kende een hogere mate van arbeidsongeschiktheid toe (65 tot 80%). De Raad oordeelde dat het beroep ook tegen dit nieuwe besluit gericht moest worden. Na beoordeling van medische en arbeidskundige rapportages concludeerde de Raad dat het UWV voldoende grondslag had om de hogere mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen en dat appellante niet meer beperkingen kon aantonen.
De Raad vernietigde het eerdere besluit voor zover de rechtsgevolgen daarvan in stand waren gelaten, bevestigde het nieuwe besluit van het UWV en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 19 mei 2006 wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.