ECLI:NL:CRVB:2008:BD8958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toekenning WAO-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft bij het UWV een aanvraag gedaan voor toekenning van een WAO-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds 16 maart 2006. Het UWV heeft dit verzoek bij besluit van 27 september 2006, bevestigd bij het bestreden besluit van 8 maart 2007, afgewezen omdat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de eerdere weigering van een WAO-uitkering op 13 april 2006.
De rechtbank heeft het oordeel van het UWV bevestigd en geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel. Appellante heeft in hoger beroep medische verklaringen overgelegd, waaronder een brief van reumatoloog Mašek die fibromyalgie en degeneratieve afwijkingen constateerde. De Raad concludeert echter dat deze medische situatie niet wezenlijk verschilt van eerdere medische beoordelingen uit 2002 en dat er onvoldoende bewijs is dat appellante duurzaam niet in staat is arbeid te verrichten.
Ook de door appellante overgelegde informatie van andere medisch specialisten geeft geen aanleiding tot twijfel aan het oordeel van het UWV. Er is geen bewijs dat haar beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren zijn miskend. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid.