ECLI:NL:CRVB:2008:BD9338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van woninginrichting, nadat zij was ontslagen en een uitkering ontving op grond van de WWB. Het college wees de aanvraag af omdat de kosten tot de noodzakelijke kosten van het bestaan behoren die uit het inkomen vooraf gereserveerd hadden moeten worden. Appellante had in de periode voorafgaand aan de bijstand een vakantie gemaakt, waarvoor zij volgens het college geld had kunnen reserveren voor de woninginrichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het vakantieticket door familie was betaald en dat schulden haar belemmerden te reserveren. De Raad oordeelde dat de kosten van woninginrichting incidentele noodzakelijke kosten zijn die uit het inkomen gespreid betaald moeten worden. De ontkenning van appellante dat zij spaarde voor de vakantie werd niet geloofwaardig geacht.
Verder stelde de Raad dat schulden geen bijzondere omstandigheid zijn die rechtvaardigen dat de WWB wordt aangesproken voor deze kosten. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om bijzondere bijstand voor woninginrichting wordt afgewezen wegens ontbreken van bijzondere omstandigheden.