ECLI:NL:CRVB:2008:BD9367
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en toetsbaarheid arbeidskundige beoordeling
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Breda die het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering van betrokkene betrof. Betrokkene werd ingeschaald op een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% per 21 augustus 2005. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard omdat het dossier geen aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en interpretatiekader bevatte, waardoor de schatting onvoldoende transparant en toetsbaar zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidskundige component van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet als een zelfstandig deelbesluit kan worden aangemerkt en dat het ontbreken van een lijst met normaalwaarden en interpretatiekader geen reden is om de schatting te vernietigen. Met het in hoger beroep overgelegde arbeidskundige rapport is voldoende inzicht gegeven in de geschiktheid van de functies en de mate van verdiencapaciteitsverlies.
Hoewel het bestreden besluit een onvoldoende motivering bevat en daarom strijdig is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, laat de Raad de rechtsgevolgen in stand. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan betrokkene vergoed.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de WAO-uitkering van betrokkene blijft gehandhaafd op 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid.