ECLI:NL:CRVB:2008:BD9631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking aanvullende bijstand wegens niet duurzaam gescheiden leven met echtgenote
Appellant ontving sinds september 2000 aanvullende bijstand naast zijn WAO-uitkering. Het College trok deze bijstand per 30 mei 2005 in omdat appellant en zijn echtgenote weer een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege hersenletsel en de ziekte van Bechterew niet duurzaam met zijn echtgenote kon samenwonen en dat dringende redenen bestonden om de bijstand voort te zetten.
De Raad beoordeelde of appellant duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB. Uit verklaringen en omstandigheden bleek dat appellant meerdere dagen per week in de woning van zijn echtgenote verbleef, daar at en sliep, en dat hij zijn kleding daar had. Ook al beschikte appellant over een andere woonruimte, was er geen sprake van een bestendig gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning. De Raad concludeerde dat appellant niet als zelfstandig bijstandsontvanger kon worden aangemerkt.
De grief dat het College op grond van artikel 16 WWB Pro de bijstand wegens zeer dringende redenen had moeten voortzetten, werd verworpen omdat appellant niet buiten de kring van rechthebbenden viel. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de aanvullende bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.