ECLI:NL:CRVB:2008:BC7071
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- K. Zeilemaker
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstand aan persoon met gezamenlijke huishouding bij zeer dringende redenen
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande, terwijl hij een gezamenlijke huishouding voert. De gemeente weigerde de aanvraag omdat betrokkene geacht werd over voldoende middelen te beschikken via de gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter stelde vast dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, maar erkende dat in oktober 2005 zeer dringende redenen bestonden om bijstand te verlenen volgens artikel 16, eerste lid, WWB.
De gemeente nam een nieuw besluit op bezwaar waarin zij betrokkene alsnog bijstand verleende over de periode van 14 oktober 2005 tot en met 26 november 2006. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit besluit voor zover het bijstand verleent op grond van artikel 16, eerste lid, WWB aan betrokkene, omdat deze niet buiten de kring van rechthebbenden valt en de uitzonderingsbepaling niet van toepassing is.
De Raad bevestigt dat de bijstand aan personen die een gezamenlijke huishouding voeren in principe wordt geweigerd, tenzij zeer dringende redenen zich voordoen. In deze zaak is echter geoordeeld dat betrokkene niet tot de uitzonderingsgroep behoort. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten en bevestigt het oordeel van de voorzieningenrechter over de beoordelingsperiode.
Uitkomst: Het besluit om betrokkene bijstand te verlenen op grond van artikel 16, eerste lid, WWB wordt vernietigd voor de periode van 14 oktober 2005 tot en met 26 november 2006.