ECLI:NL:CRVB:2008:BE0022

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4018 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar bij bijstandsintrekking wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Purmerend tot intrekking en terugvordering van bijstand, maar diende dit bezwaarschrift te laat in. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder verschoonbare reden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep af.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College appellante op grond van artikel 7:2 Awb Pro had moeten horen voordat het op het bezwaar besliste, omdat niet met redelijke zekerheid kon worden vastgesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Het College had onterecht van het horen afgezien, waardoor het besluit van 21 september 2006 vernietigd moest worden.

De Raad stelde echter vast dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand in stand.

De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bepaalde dat het College het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van bijstand is terecht niet-ontvankelijk verklaard, maar het besluit van niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd wegens schending van het hoorrecht.

Uitspraak

07/4018 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 juni 2007, 06/9913 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College)
Datum uitspraak: 12 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.E. Engel, werkzaam bij de gemeente Purmerend.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 30 september 2005 heeft het College de aan appellante verleende bijstand op grond van de Wet werk en bijstand met ingang van 25 december 2004 ingetrokken. Tevens zijn bij dit besluit de over de periode van 25 december 2004 tot en met 31 augustus 2005 voor appellante gemaakte kosten van bijstand van haar teruggevorderd tot een totaalbedrag van € 4.804,94.
1.2. Op 12 mei 2006 heeft het College het bezwaarschrift van appellante gericht tegen het besluit van 20 september 2005 ontvangen.
1.3. Bij besluit van 21 september 2006 heeft het College, voor zover hier van belang, het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de wettelijke termijn van 6 weken voor het indienen van een bezwaarschrift heeft overschreden en dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht. Hieraan heeft het College nog toegevoegd dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat van het horen van appellante kon worden afgezien.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 september 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Uit de enige tegen de aangevallen uitspraak aangevoerde beroepsgrond leidt de Raad af dat appellante van mening is dat de rechtbank in haar overwegingen onder 2.6. van de uitspraak ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan haar in beroep naar voren gebrachte grief dat zij niet door de Algemene hoorcommissie is gehoord voordat op haar bezwaar is beslist. De Raad overweegt daaromtrent het volgende.
4.1.1. De Raad stelt voorop dat het College op grond van het bepaalde in artikel 7:2 van Pro de Awb gehouden was appellante in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens op het bezwaar te beslissen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb moet het horen als een essentieel onderdeel van de bezwarenprocedure worden beschouwd, waarvan slechts in een beperkt aantal, in artikel 7.3 van de Awb genoemde gevallen mag worden afgezien. Zoals de Raad eerder in zijn rechtspraak tot uitdrukking heeft gebracht dient in het algemeen met grote terughoudendheid tot het achterwege laten van een hoorzitting te worden besloten. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kan in geval van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar van het horen van een belanghebbende worden afgezien. De Raad wijst er op dat met het gebruik van het woord “kennelijk” tot uitdrukking is gebracht dat reeds aanstonds uit het bezwaarschrift dient te blijken dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden geacht en er over dat oordeel redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
4.1.2. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat op grond van de inhoud van het bezwaarschrift van 3 mei 2006 en een op 6 juli 2006 aan een ambtenaar van de sociale dienst telefonisch door appellante gegeven toelichting niet gezegd kan worden dat er redelijkerwijs geen twijfel meer mogelijk was over het antwoord op de vraag of sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De op 28 augustus 2006 verzonden uitnodiging voor een op 11 september 2006 te houden hoorzitting was dan ook juist, omdat de uitzonderingssituatie bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb zich niet voordeed. Het gaat naar het oordeel van de Raad dan niet aan om vervolgens op de dag van de hoorzitting appellante telefonisch eerst nog te benaderen met de mededeling dat het weinig zin heeft om naar de hoorzitting te komen, waar appellante zelf in het bezwaarschrift had aangegeven dat zij met hulp van maatschappelijk werkster en eventueel advocaat haar zegje wilde doen en de zaak nader wilde toelichten. Dat haar op die dag gezegd zou zijn dat zij wel kon komen als zij dat wilde, staat niet vast.
4.1.3. Uit niets blijkt dat appellante uitdrukkelijk heeft verklaard alsnog af te willen zien van het horen door de Algemene hoorcommissie. De uitzonderingssituatie bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb is dus evenmin van toepassing.
4.1.4. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 september 2006 wegens strijd met artikel 7:2 van Pro de Awb vernietigen.
4.2. De Raad stelt vervolgens vast dat de rechtbank in haar uitspraak onder 2.4 en 2.5 uitvoerig heeft gemotiveerd waarom in haar geval van een verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is en dit nadat appellante ter zitting van de rechtbank de redenen van het te laat gemaakte bezwaar nader had toegelicht. De Raad volstaat hier met op te merken dat hij zich kan verenigen met hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen. Hij voegt daar nog aan toe dat appellante in hoger beroep niets aangevoerd dat alsnog de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat wel sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad zal daarom bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 21 september 2006 in stand blijven.
4.3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het besluit van 21 september 2006;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 21 september 2006 in stand blijven;
Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2008.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A. Badermann.
OA