ECLI:NL:CRVB:2008:BE0022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar bij bijstandsintrekking wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Purmerend tot intrekking en terugvordering van bijstand, maar diende dit bezwaarschrift te laat in. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn zonder verschoonbare reden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College appellante op grond van artikel 7:2 Awb Pro had moeten horen voordat het op het bezwaar besliste, omdat niet met redelijke zekerheid kon worden vastgesteld dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was. Het College had onterecht van het horen afgezien, waardoor het besluit van 21 september 2006 vernietigd moest worden.
De Raad stelde echter vast dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Daarom blijven de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand in stand.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bepaalde dat het College het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van bijstand is terecht niet-ontvankelijk verklaard, maar het besluit van niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd wegens schending van het hoorrecht.