ECLI:NL:CRVB:2008:BE8547
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Verzoekster ontving sinds 1996 bijstand als alleenstaande ouder. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat zij vanaf 28 augustus 1996 tot 10 april 2006 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner, ondanks dat deze op het adres van zijn ouders stond ingeschreven. Het College trok de bijstand met ingang van 1 februari 2006 in en vorderde de bijstand terug over de periode 28 augustus 1996 tot en met 31 januari 2006.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het College wegens procedurele tekortkomingen, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat nader onderzoek niet nodig was en deed direct uitspraak.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster en haar partner feitelijk samenwoonden en dat verzoekster hierdoor niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde kon worden aangemerkt. Door dit niet te melden, schond zij haar inlichtingenverplichting. Het College handelde binnen zijn beleidsvrijheid door de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Verzoekster bracht geen dringende redenen aan om van het beleid af te wijken.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening geweigerd. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om voorlopige voorziening wordt geweigerd.