ECLI:NL:CRVB:2008:BE8879
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens strijd met artikel 7:11 Awb
Appellant ontving sinds 1988 bijstand op grond van de WWB. In 2005 ontdekte het College dat appellant beschikte over een bankrekening met een aanzienlijk saldo, wat leidde tot opschorting en intrekking van de bijstand. Het College nam een besluit waarbij de bijstand werd ingetrokken wegens het niet verstrekken van gevraagde gegevens en het overschrijden van de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het College de bezwaarprocedure onjuist had gesplitst, in strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb. Hierdoor was het College niet bevoegd het besluit van 28 februari 2006 te nemen en had de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2005 moeten doorzenden.
De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat het vermogen op de bankrekening niet tot zijn beschikking stond. Het saldo op de rekening was daarom vermogen waarover appellant redelijkerwijs kon beschikken, wat de intrekking van de bijstand rechtvaardigde. De Raad vernietigde de besluiten wegens procedurele fouten, maar liet de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit in stand en veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking van de bijstand worden vernietigd wegens procedurele fouten, maar de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit blijven in stand.