ECLI:NL:CRVB:2008:BE9034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Premiecorrecties en vakantiebijslag bij beëindiging uitzendovereenkomst
De zaak betreft premiecorrecties en boetes opgelegd door het UWV aan appellante over de jaren 2000 tot en met 2003, gerelateerd aan de uitbetaling van niet opgenomen vakantiedagen en reserveringen voor vakantiebijslag van uitzendkrachten die hun werkzaamheden feitelijk beëindigden in de laatste weken van het jaar, terwijl de betaling pas in het volgende jaar plaatsvond.
Het UWV stelde dat deze bedragen in het jaar van beëindiging als loon moesten worden verantwoord omdat zij toen vorderbaar en inbaar waren geworden. De Raad toetste dit aan de Coördinatiewet Sociale Verzekering, het Burgerlijk Wetboek en de ABU-CAO, en concludeerde dat de premiecorrecties alleen terecht zijn als de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk is geëindigd.
De Raad vond dat onvoldoende was aangetoond of de feitelijke beëindiging van werkzaamheden ook een rechtsgeldige opzegging betrof, mede omdat de CAO een tijdige melding vereist. Hierdoor ontbrak een voldoende draagkrachtige motivering in het besluit van het UWV, wat strijdig is met de Algemene wet bestuursrecht.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd wegens onvoldoende motivering over het tijdstip van vorderbaarheid van vakantiebijslag en vakantiedagen.