ECLI:NL:CRVB:2008:BE9075

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1364 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing vergoeding kosten rechtsbijstand bij WAO-uitkering

Appellant verzocht om vergoeding van kosten voor rechtsbijstand die tijdens de bezwaarprocedure rond de toekenning van een WAO-uitkering waren gemaakt. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze vergoeding, wat door de rechtbank Leeuwarden werd bevestigd omdat appellant niet kon aantonen dat de kosten daadwerkelijk waren gemaakt.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij schade had geleden door het onrechtmatig besluit van het Uwv en dat op grond van artikel 6:96 BW Pro de kosten van rechtsbijstand vergoed moesten worden. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat vergoeding alleen mogelijk is als daadwerkelijk kosten verschuldigd zijn voor de verleende rechtsbijstand, zoals ook uit eerdere jurisprudentie volgt.

De overgelegde nota was gericht aan het Uwv en er was verklaard dat appellant nooit een rekening had ontvangen. Hierdoor was niet aannemelijk dat appellant kosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het verzoek om vergoeding af.

De uitspraak benadrukt dat de voorwaarde voor vergoeding van kosten in bezwaar en hoger beroep is dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en verschuldigd zijn. De Raad vond geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht anders toe te passen.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van kosten rechtsbijstand wordt afgewezen omdat niet is aangetoond dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Uitspraak

06/1364 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 januari 2006, 05/1687 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Bakker, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Appellant noch zijn gemachtigde is, zoals aangekondigd verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.T.W. Wielinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit op bezwaar van 21 maart 2005 is aan appellant alsnog ingaande
1 november 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend.
1.2. Hieraan voorafgaand is bij brief van 17 maart 2005 namens appellant verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, gemaakt in de procedure die uiteindelijk geleid heeft tot de toekenning van de WAO-uitkering.
1.3. Bij besluit van 2 juni 2005 heeft het Uwv geweigerd de gevraagde kosten, betreffende de tijdens de bezwaarfase aan appellant verleende juridische bijstand, te vergoeden. Dit besluit is bij besluit op bezwaar van 15 september 2005 gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - kortgezegd - overwogen dat de kosten waarvoor vergoeding wordt verzocht door appellant niet aantoonbaar zijn gemaakt.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij wel degelijk schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig besluit van het Uwv. Ook op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) dienen de kosten van rechtsbijstand betaald te worden.
4.1. De Raad overweegt dat de kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd, kosten van in bezwaar verleende rechtsbijstand betreffen, verleend in de periode voorafgaand aan de invoering van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedure (Wet van 24 januari 2002,
Stb. 55).
4.2. De Raad heeft reeds eerder, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 12 december 1997 (LJN: ZB7385) geoordeeld dat, in het kader van de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorwaarde voor vergoeding van kosten in verband met het beroep en hoger beroep is, dat voor de dienstverlening door de gemachtigde ook daadwerkelijk kosten verschuldigd zijn. Uit artikel 6:96 BW Pro vloeit niet voort dat de verschuldigdheid van de kosten geen voorwaarde zou zijn.
4.3. De overgelegde nota van 26 juli 2005 is gericht aan het Uwv, afdeling Bezwaar en Beroep (kantoor Leeuwarden). Op de hoorzitting van 6 september 2005 is door de gemachtigde van appellant verklaard dat nooit een rekening aan appellant is verstuurd.
4.4. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat in lijn met evenvermelde jurisprudentie, nu niet aantoonbaar sprake is van door appellant ter zake van bedoelde rechtsbijstand verschuldigde kosten, geen sprake kan zijn van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het verzoek om vergoeding van die kosten is door het Uwv mitsdien terecht afgewezen.
4.5. De aangevallen uitspraak moet om bovengenoemde reden worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Lochs.
RB