ECLI:NL:CRVB:2008:BE9746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Herziening kinderbijslag bij wijziging feitelijke verblijfplaats kinderen
Appellant, vader van drie kinderen, voerde aan dat zijn kinderen vanaf augustus 2004 onafgebroken bij hem verbleven en tot zijn huishouden gingen behoren, hoewel dit in strijd was met de geldende omgangsregeling. De Sociale verzekeringsbank (Svb) had aanvankelijk kinderbijslag toegekend, maar dit later herzien en geweigerd over het vierde kwartaal 2004 en eerste kwartaal 2005, omdat de kinderen volgens hen tot 5 januari 2005 tot het huishouden van de moeder behoorden.
De rechtbank Alkmaar oordeelde dat de feitelijke situatie bepalend is, tenzij tijdelijk van aard, en stelde dat de verblijfplaats van de kinderen pas op 5 januari 2005 definitief bij appellant was vastgesteld. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat de feitelijke situatie op 1 januari 2005 reeds was dat de kinderen bij appellant verbleven en dat dit niet meer als tijdelijk kon worden beschouwd. De wens van de kinderen om bij hun vader te blijven en niet mee te verhuizen met de moeder werd meegewogen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad de Svb in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee werd de positie van appellant versterkt en werd de kinderbijslag toegekend vanaf het moment dat de feitelijke situatie zich voordeed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de kinderen op 1 januari 2005 tot het huishouden van appellant behoorden en vernietigt het eerdere besluit van de rechtbank.