ECLI:NL:CRVB:2008:BE9831

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6286 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 21a Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitbreiding huishoudelijke hulp op grond van medische adviezen

Appellante, die met toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 als vervolgingsslachtoffer is erkend, had een vergoeding voor vier uren huishoudelijke hulp per week toegekend gekregen. Na een aanvraag tot uitbreiding naar acht uren per week werd dit verzoek door verweerster afgewezen.

De Raad heeft het bestreden besluit getoetst aan de ingediende medische verklaringen, waaronder die van de huisarts van appellante, en aan een sociaal rapport. Hieruit bleek dat appellante zware huishoudelijke werkzaamheden niet meer zelfstandig kan verrichten, maar wel in staat is tot lichte huishoudelijke taken. De medische adviezen ondersteunden het standpunt van verweerster dat uitbreiding van de hulp niet noodzakelijk was.

De Raad concludeerde dat het besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd, en dat er geen aanleiding was om het standpunt van verweerster te betwijfelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tot uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/6286 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante] (USA) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 21 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 augustus 2007, kenmerk BZ 47218, JZ/U70/2007, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2008. Daar is appellante niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren op 26 augustus 1937, is door verweerster met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijkgesteld. In dat verband heeft verweerster aanvaard dat de bij appellante aanwezige psychische klachten (en de daarmee samenhangende hoofdpijn-, nek- en schouderklachten) in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van haar vader. Aan appellante is - voor zover hier van belang - met ingang van 1 januari 2003 een vergoeding voor vier uren huishoudelijke hulp per week toegekend. Een door appellante in december 2003 bij verweerster ingediende aanvraag om uitbreiding van de toegekende vier uren huishoudelijke hulp, heeft verweerster afgewezen bij besluit van 2 juli 2004.
1.2. In maart 2007 heeft appellante bij verweerster een nieuwe aanvraag ingediend om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar acht uren per week. Die aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 31 mei 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat appellante vanwege haar gezondheidsklachten niet op uitbreiding van de huishoudelijke hulp is aangewezen. Bij de besluitvorming zijn - gelet op het bepaalde in artikel 21a van de Wet - mede in aanmerking genomen de bij appellante aanwezige hartklachten.
1.3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat zij door haar slechte gezondheid meer hulp in de huishouding nodig heeft en dat haar klachten het niet mogelijk maken de dagelijkse huishoudelijke taken te verrichten. Zij heeft in dat verband met name verwezen naar de verklaring van haar huisarts N. Elihu van 26 juli 2007.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt is in overeenstemming met medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op een met betrekking tot onderhavige aanvraag opgemaakt sociaal rapport alsmede op ontvangen informatie van de huisarts N. Elihu, waaronder de onder 1.3 genoemde verklaring. Uit deze medische adviezen komt naar voren dat het vooral de zware huishoudelijke werkzaamheden zijn die appellante niet meer zonder hulp kan verrichten en dat uit de beschrijving van haar (dagelijkse) activiteitenpatroon, zoals weergegeven in het sociaal rapport, kan worden afgeleid dat zij in staat kan worden geacht om licht huishoudelijk werk te doen.
2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de onderliggende medische adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische en andere gegevens heeft de Raad geen grond gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster ingenomen standpunt. Hierbij neemt de Raad mede in aanmerking dat uit het ten behoeve van onderhavige aanvraag opgestelde sociaal rapport onder meer naar voren komt dat appellante zelf nog kan koken, nog enige boodschappen doet, kan afstoffen en de meeste tijd doorbrengt met het verzorgen van de (vele) planten in haar tuin. Voorts is de Raad met verweerster van oordeel dat, anders dan door appellante in beroep is aangevoerd, de verklaring van de huisarts van 26 juli 2007 niet meer inhoudt dan een aanbeveling voor hulp bij algemene huishoudelijke werkzaamheden en dat niet blijkt dat appellante is aangewezen op meer dan de eerder toegekende vier uren huishoudelijke hulp.
3. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD
26.07