ECLI:NL:CRVB:2008:BE9841

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-93 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning en uitkering vervolgingsslachtoffer na Japanse bezetting

Appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht in september 2006 om erkenning als vervolgingsslachtoffer en toekenning van een WUV-uitkering. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees dit verzoek af omdat appellant tijdens de Japanse bezetting niet geïnterneerd was in een bewaakte verblijfplaats en niet was vervolgd op grond van ras, geloof of Europese afkomst. Ook werden naoorlogse gebeurtenissen niet meegewogen.

Appellant voerde in beroep aan dat de Japanse bezetting mede leidde tot de Indonesische opstand en dat hij onderwijs werd ontzegd, maar de Raad stelde vast dat appellant geen vrijheidsberoving had ondergaan zoals bedoeld in de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De Raad oordeelde dat de Wet alleen ziet op vervolging tijdens de bezettingsjaren en dat omstandigheden na de Japanse capitulatie niet relevant zijn.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees de Raad een verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 augustus 2008.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van erkenning en uitkering als vervolgingsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/93 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 28 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 20 december 2007, kenmerk BZ 47292, JZ/T60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met het geding tussen appellant en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geregistreerd onder nr. 08/92 WUBO, ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 24 juli 2008. Partijen zijn daar, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In september 2006 heeft appellant, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als vervolgde in de zin van de Wet en om toekenning van, onder meer, een periodieke uitkering.
1.2. Bij besluit van 5 juli 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen. Overwogen is dat appellant tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië niet geïnterneerd is geweest in een verblijfplaats waar permanente bewaking werd beoogd en ook niet bloot heeft gestaan aan handelingen of maatregelen van de bezetter op grond van ras, geloof, wereldbeschouwing, Europese afkomst of Europees gezinde instelling. Verder is in aanmerking genomen dat oorlogservaringen van na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 niet vallen onder de werking van de Wet.
1.3. In beroep heeft appellant aangevoerd, samengevat, dat het optreden van de Japanse bezetter mede heeft geleid tot de naoorlogse Indonesische opstand tegen het toenmalige Nederlandse gezag met alle gevolgen van dien voor de Indische Nederlanders. Verder heeft hij gewezen op het verbod van Nederlands onderwijs tijdens de Japanse bezetting.
Verweerster heeft hiertegen bij verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd.
2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
2.1. Op grond van artikel 2 van Pro de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan:
handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.
2.2. Appellant heeft blijkens de gedingstukken zelf aangegeven dat hij tijdens de bezettingsjaren geen vrijheidsberoving in voormelde zin heeft ondergaan. Wel komt uit de gegevens naar voren dat appellant tijdens die jaren niet naar school kon en dat zijn vader was ondergedoken. Van enige vervolgingsmaatregel van de bezetter tegen de (stief)moeder van appellant dan wel tegen appellant is echter niet gebleken.
Verweerster is er dan ook terecht vanuit gegaan dat appellant tijdens de bezettingsjaren geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Aangezien de werking van de Wet is beperkt tot de bezettingsjaren kunnen omstandigheden van na de Japanse capitulatie niet worden meegewogen, hoezeer die omstandigheden ook in historisch verband met de bezetting geplaatst kunnen worden.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD