ECLI:NL:CRVB:2008:BF0228

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 augustus 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5403 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 58 WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering WAZ-uitkering wegens gewijzigd standpunt UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV van 15 december 2005, waarin de toekenning van een WAZ-uitkering werd geweigerd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou bedragen. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens het hoger beroep wijzigde het UWV haar standpunt, gesteund door een arbeidsdeskundig rapport dat een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% aannam.

De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, omdat het gewijzigde standpunt van het UWV het oorspronkelijke besluit onjuist maakte. De Raad bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, waarbij ook aandacht moet worden besteed aan eventuele rentevergoeding.

De Raad oordeelde dat appellant geen medische gegevens had overgelegd die een eerdere arbeidsongeschiktheidsdatum dan 25 februari 2004 aannemelijk maakten. Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen vanwege onvoldoende zicht op de omvang van de renteschade.

Tot slot werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed. De Raad kwam daardoor niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de overige grieven van appellant.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

06/5403 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2006, 06/498 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 22 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Zowel door appellant als door het Uwv zijn nog nadere gegevens ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F. van Dam.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft het Uwv een nader schrijven van 26 juni 2008 ingediend. Dit schrijven is met de bijlagen aan het Uwv geretourneerd met de mededeling dat het onderzoek ter zitting is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 15 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellant, gericht tegen het besluit van 8 juni 2005 waarbij toekenning van een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingaande 22 februari 2005 geweigerd is omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder dan 25% bedraagt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. Bij schrijven van 5 mei 2008 heeft het Uwv de Raad medegedeeld dat de arbeidskundige motivering onder het bestreden besluit is komen te ontvallen.
3.2. In het ongedateerd schrijven van het Uwv, bij de Raad binnengekomen op 26 mei 2008, heeft het Uwv gesteld van mening te zijn dat het bestreden besluit niet langer juist is. Uit de bij dit schrijven gevoegde rapportage van 22 mei 2008 van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband blijkt dat appellant per einde wachttijd alsnog voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd en dat de inkomsten uit arbeid over de jaren 2005 en 2006 aanleiding geven om de WAZ-uitkering onder toepassing van artikel 58 van Pro de WAZ uit te betalen als ware appellant voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt.
4.1. Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv moet het bestreden besluit onder gegrondverklaring van het inleidend beroep, worden vernietigd. De aangevallen uitspraak moet eveneens worden vernietigd. Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv komt de Raad niet meer toe aan een beoordeling van de door appellant in hoger beroep naar voren gebrachte grieven.
4.2. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Uwv noodzakelijk is en op grond van de thans voorliggende gegevens onvoldoende zicht bestaat op de omvang van de door appellant geleden renteschade. Het Uwv zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.
4.3. Met het oog op het nader door het Uwv te nemen besluit op bezwaar overweegt de Raad – voor dit geding strikt genomen ten overvloede – dat hij op grond van de thans voorhanden gegevens geen reden heeft de keuze van het Uwv voor de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zijnde 25 februari 2004 onjuist te achten. Niet alleen heeft appellant geen medische gegevens ingebracht die wijzen op een eerdere eerste arbeidsongeschiktheidsdag maar ook is niet gebleken dat appellant door zijn medische klachten minder inkomen als zelfstandige is gaan verwerven in de jaren voorafgaand aan 2004.
5. Er is niet kunnen blijken van aan de zijde van appellant gevallen voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking komende proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2008.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. Lochs.
JL