ECLI:NL:CRVB:2008:BF0277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering wegens recht op ziekengeld; vaststelling terugvordering
Appellant had vanaf 30 juni 2000 een WW-uitkering ontvangen, maar het UWV stelde bij besluit dat appellant geen recht had op deze uitkering omdat hij recht had op ziekengeld volgens de Ziektewet. Het UWV vorderde daarop onverschuldigd betaalde WW-uitkeringen terug over verschillende perioden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en het bestreden besluit. De Raad stelt vast dat het terug te vorderen bedrag € 2.718,64 (bruto) bedraagt, zoals het UWV nader heeft aangegeven.
De Raad oordeelt dat het UWV op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 36, eerste lid, van de WW verplicht is tot terugvordering en ziet geen dringende redenen om hiervan af te zien. Ook is geen sprake van een toezegging die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen. De vraag of het UWV voldoende ziekengeld heeft betaald wordt in deze procedure niet behandeld.
De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het terug te vorderen bedrag wegens onverschuldigd betaalde WW-uitkering wordt vastgesteld op € 2.718,64 en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.