ECLI:NL:CRVB:2008:BF0398

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2356 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige loonsanctie en aansprakelijkheid voor loonschade bij onverschuldigde loondoorbetaling

De zaak betreft een geschil tussen betrokkene en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over schadevergoeding wegens onverschuldigde loondoorbetaling aan een werknemer. Het UWV had een loonsanctie opgelegd vanwege een incompleet re-integratieverslag, maar deze sanctie werd later ingetrokken wegens motiveringsgebrek. Betrokkene vorderde vervolgens vergoeding van de loonschade die zij had geleden door de onterecht opgelegde loonsanctie.

De rechtbank had het besluit van het UWV vernietigd en geoordeeld dat er ten onrechte geen causaal verband was aangenomen tussen het loonsanctiebesluit en de loonschade. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat het UWV aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het onrechtmatige besluit. Het UWV voerde in hoger beroep aan dat er geen causaal verband bestond en erkende slechts een coulancevergoeding, maar dit werd verworpen.

De Raad oordeelde dat het UWV een onrechtmatige daad heeft begaan door het onrechtmatige besluit en dat de loonschade aan betrokkene moet worden vergoed. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene. Het hoger beroep van het UWV werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt afgewezen en het UWV is aansprakelijk voor de loonschade en proceskosten.

Uitspraak

07/2356 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2007, 06/3258 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 3 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. R.P. Gasseling, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosman. Namens betrokkene is verschenen mr. M.A. de Bont, advocaat te Rotterdam
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft bij besluit van 23 april 2003 betrokkene over de periode van 16 april 2003 tot en met 16 augustus 2003 een verlengde loondoorbetalingsverplichting opgelegd omdat haar werknemer L. bij zijn aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een incompleet re-integratieverslag had ingediend. Bij besluit op bezwaar van 19 juli 2004 is de loonsanctie niet langer gehandhaafd en is het besluit van 23 april 2003 ingetrokken.
1.2. Op 7 december 2005 heeft betrokkene appellant verzocht de schade die is geleden als gevolg van de onverschuldigde loondoorbetaling aan L., te weten de loonkosten over de periode 16 april 2003 tot 16 augustus 2003 ter hoogte van € 9.786,39 inclusief de wettelijke rente, aan haar te vergoeden. Bij besluit van 16 december 2005 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 3 juli 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv betrokkene meegedeeld dat haar een bedrag aan schadevergoeding van € 3.314,82 (het verschil tussen de opgegeven loonschade en de aan L. betaalde WAO-uitkering) plus de daarover verschuldigde wettelijke zal worden betaald.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en bepalingen gegeven omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant in het bestreden besluit ten onrechte gesteld dat er geen causaal verband is tussen de loonsanctie en de gestelde schade. Voorts heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, overwogen dat betrokkene een vordering uit onverschuldigde betaling heeft op werknemer L. en dat zolang niet duidelijk is of L. verhaal biedt, betrokkene appellant niet kan aanspreken ter zake van loonschade.
3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat er geen causaal verband is tussen het loonsanctiebesluit en de gestelde loonschade. Appellant erkent dan ook in principe geen aansprakelijkheid voor de gestelde schade. Appellant is eventueel bereid uit coulance maximaal 70% van het doorbetaalde loon aan de werkgever te vergoeden indien de werknemer geen verhaal biedt. Per abuis is aan betrokkene het verschil tussen het bruto loon en de bruto WAO-uitkering vergoed.
4.1. De Raad stelt vast dat alleen appellant hoger beroep heeft ingesteld. Gelet daarop is het hoger beroep beperkt tot de grieven die appellant in hoger beroep heeft ingebracht.
4.2. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting gesteld dat appellant belang heeft bij de onderhavige procedure omdat hij zich, indien wel causaal verband wordt aangenomen tussen het onrechtmatige loonsanctiebesluit en de loonschade, geconfronteerd ziet met een schadeclaim in geval de werknemer geen verhaal biedt.
De Raad is van oordeel dat gelet op het vorenstaande appellant een belang bij de onderhavige procedure niet kan worden ontzegd.
5. De Raad heeft in zijn uitspraken van 27 augustus 2008, LJN: BE9377, onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie overwogen dat een overheidsorgaan, wanneer een door dit orgaan genomen besluit achteraf wegens strijd met een wettelijke bepaling onrechtmatig blijkt te zijn en dit besluit wordt herroepen, jegens de betrokkene een onrechtmatige daad heeft begaan, waarmee de schuld van het overheidsorgaan in beginsel is gegeven. Voorts heeft de Raad overwogen dat de loonschade die ontstaat als gevolg van de onverschuldigde loondoorbetaling aan het onrechtmatige besluit dient te worden toegerekend en dat het Uwv deze schade ook dient te vergoeden.
Gelet op het vorenstaande dient de grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte een causaal verband tussen het onrechtmatige loonsanctiebesluit en de loonschade heeft aangenomen te worden verworpen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) S. Sweep.
JL