ECLI:NL:CRVB:2008:BF1925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-5554 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij zich kon verenigen met de medische en arbeidskundige onderbouwing van het besluit.

In hoger beroep stelde appellant dat hij vanwege psychische klachten niet volledig belastbaar is en niet in staat is tot fulltime arbeid. De Raad oordeelde echter dat appellant geen nieuwe medische informatie had ingebracht die dit standpunt ondersteunde. De geschiktheid van de geselecteerde functies werd niet betwist, maar de Raad vond dat de toelichting op deze geschiktheid pas met de in hoger beroep overgelegde rapportages voldeed aan de eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid.

De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

06/5554 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 september 2006, 06/2018 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W.H.M. Koers, advocaat te Doesburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008. Appellant, noch zijn gemachtigde, zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 29 november 2005 heeft het Uwv – na verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans en arbeidskundig onderzoek – appellants uitkering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 26 januari 2006 ingetrokken onder de overweging dan zijn mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van diezelfde datum minder dan 15% is.
2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout heeft het Uwv appellants bezwaar bij besluit van 8 maart 2006 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich – kort weergegeven – kunnen verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
4. In hoger beroep heeft appellant zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat hij met het oog op zijn psychische klachten ten onrechte volledig belastbaar wordt geacht en dat hij niet in staat is tot het leveren van fulltime arbeid. In dat kader voert hij aan dat hij op basis van zijn klachten zijn dagbesteding heeft teruggeschroefd van vijf naar twee dagdelen per week, waarover hij niet meer dan drie uren per dag presteert.
5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft de medische grondslag daarvan, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en op een deugdelijke onderbouwing is gebaseerd. Verzekeringsarts Hofmans constateerde met betrekking tot appellants psychische klachten dat geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin maar heeft hem vanwege zijn voorgeschiedenis met geestelijke klachten uit preventief oogpunt enigszins beperkt geacht ten aanzien van deadlines, productiepieken en conflicthantering. Op grond hiervan heeft de verzekeringsarts op
7 november 2005 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Bezwaarverzekeringsarts Rombout heeft zich, mede gelet op het feit dat appellant in bezwaar geen nieuwe medische argumenten heeft ingebracht, achter de opvattingen van de verzekeringsarts gesteld.
5.1. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep terzake van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, geen grond om tot een andersluidend oordeel te komen dan hierboven is weergegeven. In het bijzonder is van de zijde van appellant geen medische informatie in het geding gebracht die aanknopingspunten biedt voor zijn standpunt dat hij als gevolg van zijn psychische gesteldheid niet fulltime belastbaar is.
5.2. Het is de Raad niet gebleken dat – uitgaande van de vastgestelde mogelijkheden van appellant – de geduide functies niet geschikt voor hem zijn. De Raad is evenwel van oordeel dat uiteindelijk eerst met de in hoger beroep overgelegde rapportages van de bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 30 januari 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige T.C.W.J. Stokking van 2 maart 2007 een toelichting op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is gegeven, die voldoet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, toetsbaarheid en verifieerbaarheid. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van 9 november 2004 (onder meer LJN: AR4716) en 12 oktober 2006 (LJN: AY9971), is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen worden gelaten.
6. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot
€ 644,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) A.C. Palmboom.
JL