ECLI:NL:CRVB:2008:BF2285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij weigering bijstandsuitkering alleenstaande ouder
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met ingang van 15 maart 2006. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt wees de aanvraag af omdat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met de heer V. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de situatie en stelde vast dat appellante en de heer V. beiden hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres en dat er sprake was van wederzijdse verzorging. Dit bleek uit het gezamenlijk gebruik van de woning, het ontbreken van eigen kamers, het door elkaar heen staan van persoonlijke bezittingen en het gebruik van duurzame goederen door beiden. Bovendien hielp de heer V. appellante met de verzorging van haar kinderen en stelde hij haar voor als zijn vrouw tegenover een buurman.
De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een zakelijke kostgangersrelatie, maar van een verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt. Daarom voerde appellante een gezamenlijke huishouding en was zij geen zelfstandig subject van bijstand. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is terecht afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.