ECLI:NL:CRVB:2008:BF2736
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WAO-uitkering en medische grondslag door Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen een herzieningsbesluit van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering werd verlaagd van 80-100% naar 15-25%, later bijgesteld naar 25-35%. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege een onjuiste maximering van de maatmanfunctie, maar oordeelde dat de medische grondslag voldoende was.
In hoger beroep richtte appellant zich tegen de medische onderbouwing van het besluit, stellende dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom hij over duurzaam benutbare mogelijkheden zou beschikken en dat de Standaard ‘Verminderde arbeidsduur’ niet was toegepast. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische rapportages van verzekeringsartsen een juiste weergave vormden van de beperkingen en dat de rechtbank terecht geen deskundige had benoemd.
De Raad verwierp het beroep van appellant tegen het besluit van 27 juni 2007 dat de WAO-uitkering vaststelde op 45-55% arbeidsongeschiktheid. Tevens wees de Raad het verzoek tot vergoeding van proceskosten af, maar kende wel vergoeding van wettelijke rente toe over de na te betalen uitkering vanaf 1 december 2005.
De uitspraak bevestigt dat medische beoordelingen van verzekeringsartsen, mits voldoende gemotiveerd, beslissend zijn voor de vaststelling van arbeidsongeschiktheid en dat algemene klachten over onderzoeksmethoden onvoldoende zijn om deze te ondermijnen.
Uitkomst: Het beroep tegen het herzieningsbesluit van 27 juni 2007 wordt ongegrond verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente.