ECLI:NL:CRVB:2005:AT9828
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en geschil over uitkeringen WAO en Ziektewet
Appellant, werkzaam als classificeerder, viel op 23 januari 2001 uit wegens spierklachten. Gedaagde kende hem bij besluit van 19 december 2001 een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Diverse besluiten en bezwaren volgden over de mate van arbeidsongeschiktheid en recht op ziekengeld volgens de Ziektewet. De rechtbank verklaarde beroepen ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Raad beoordeelde of appellant per 22 januari 2002 arbeidsongeschikt was en of hij vanaf 2 juli 2002 en 19 augustus 2003 ongeschikt was voor zijn arbeid. De Raad overwoog dat medische beroepsgronden ook door niet-reguliere artsen kunnen worden ingebracht, maar dat deze niet dezelfde bewijskracht hebben als reguliere artsen. De rapporten van verzekeringsartsen werden als betrouwbaar beschouwd. De klachten van appellant waren moeilijk objectief vast te stellen, en de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd, overschreden zijn belastbaarheid niet.
De Raad verwierp het bezwaar dat taalbeheersing en onvoldoende re-integratiebegeleiding de schatting van arbeidsongeschiktheid zouden beïnvloeden. De Raad bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid op 22 januari 2002 terecht was vastgesteld op 25 tot 35%. Appellant was vanaf 2 juli 2002 en 19 augustus 2003 niet ongeschikt voor zijn arbeid. Het beroep tegen het bestreden besluit van 13 juni 2002 werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Verder werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit van 13 juni 2002 wordt gegrond verklaard en dat besluit vernietigd; overige besluiten worden bevestigd.