ECLI:NL:CRVB:2008:BF3994

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1840 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbRegeling farmaceutische hulp 1996Verordening IZA/IZR 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergoeding Glucadol wegens niet opname in Regeling farmaceutische hulp

Appellant verzocht vergoeding van de kosten voor het middel Glucadol, een geregistreerd geneesmiddel tegen artrose van de knie. Het dagelijks bestuur van het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland weigerde deze vergoeding omdat Glucadol niet voorkomt in de Regeling farmaceutische hulp 1996, noch als dieetpreparaat of homeopathisch middel onder de relevante rubrieken valt. Tevens werd geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het dagelijks bestuur. De rechtbank oordeelde dat het middel een zelfzorgmiddel is dat zonder recept verkrijgbaar is en dat de door appellant aangevoerde kostenbesparing onvoldoende is om een uitzonderlijke situatie aan te nemen. Ook het feit dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het middel niet in de regeling heeft opgenomen, werd meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad acht de stellingen van appellant over het advies van de orthopedisch chirurg en de verbetering van de gezondheidstoestand onvoldoende om de hardheidsclausule toe te passen. Er is geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer op 25 september 2008.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van vergoeding van Glucadol.

Uitspraak

07/1840 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2007, 06/2152 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van het Instituut Zorgverzekering Ambtenaren Nederland (hierna: dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 25 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 14 augustus 2008. Partijen zijn niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Bij besluit van 4 december 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 april 2006, heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan appellant de kosten voor het gebruik van het middel Glucadol - een als medicijn geregistreerd middel tegen artrose van de knie - te vergoeden, omdat dit middel niet als geneesmiddel is genoemd in bijlage 1, onderdeel a en b, van de Regeling farmaceutische hulp 1996 (hierna: bijlage), en evenmin als dieetpreparaat of als homeopathisch middel valt onder Rubriek J van de bijlage behorend bij artikel 2 van Pro de Verordening IZA/IZR 2000. Voorts heeft het dagelijks bestuur geen aanleiding gezien om het middel met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule voor vergoeding in aanmerking te brengen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het dagelijks bestuur onderschreven dat appellant geen reglementaire aanspraak heeft op vergoeding van het middel. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het dagelijks bestuur in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat er geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarmee bij het vaststellen van de bijlage geen rekening is gehouden, zodat er terecht geen aanleiding is gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De rechtbank wijst er op dat het gaat om een zogeheten zelfzorg-middel dat zonder recept te verkrijgen is. Dat het middel volgens appellant leidt tot kostenbesparing acht de rechtbank onvoldoende voor het aannemen van een uitzonder-lijke situatie. Daarbij heeft de rechtbank mede van belang geacht dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, die maandelijks de Regeling farmaceutische hulp kan aanpassen, geen aanleiding heeft gezien het middel in de bijlage op te nemen.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. De Raad kan zich geheel verenigen met de aangevallen uitspraak en met de gronden waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen.
Dat het gebruik van het middel geschiedt op advies van de orthopedisch chirurg van appellant, dat het leidt tot verbetering van zijn gezondheidstoestand en daarmee tot besparing van kosten doordat hij minder vaak de orthopedisch chirurg hoeft te bezoeken, betreft stellingen die algemeen van aard zijn. Overwegingen van deze aard hebben de minister blijkbaar geen aanleiding gegeven het middel op te nemen in de bijlage. Ook de Raad is van oordeel dat die stellingen het dagelijks bestuur evenmin aanleiding hebben hoeven geven met toepassing van de hardheidsclausule tot vergoeding over te gaan.
4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en H.G. Rottier en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2008.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) K. Moaddine.
HD