ECLI:NL:CRVB:2008:BF4251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid door rughernia en psychische klachten
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om hem geen WAO-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV een nieuwe beslissing nam en een WAO-uitkering van 25-35% toekende.
In hoger beroep richtte appellant zich op de medische grondslag van deze beslissing, met name op de rughernia, trillende handen en psychische klachten. De Raad oordeelde dat de medische gegevens geen verdere arbeidsbeperkingen dan vermeld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) rechtvaardigen per 27 oktober 2004.
De Raad verwierp de stelling dat de trillende handen een andere oorzaak hadden dan emoties en vond onvoldoende bewijs voor beperkingen door psychische klachten op het relevante tijdstip. De brief van de huisarts uit 2006 was niet relevant voor de situatie in 2004.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WAO-uitkering van 25-35% arbeidsongeschiktheid bevestigd.