ECLI:NL:CRVB:2008:BF5560

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 september 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-6744 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld

Appellant, geboren in 1940 in het voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan oorlogservaringen, waaronder huisarrest tijdens de Japanse bezetting en vluchtelingenperiodes tijdens hevige gevechten na de Japanse capitulatie.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet. Appellant voerde in beroep aan dat zijn familie zwaar had geleden, inclusief mishandeling van zijn vader, en overhandigde een verklaring van een voormalige huisbediende over het huisarrest.

De Raad overwoog dat algemene oorlogsomstandigheden waaraan velen blootstonden niet kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Het onderzoek van verweerster, inclusief raadpleging van archieven en dossiers, leverde geen bevestiging van calamiteiten op. Het vermeende huisarrest werd niet als calamiteit aangemerkt vanwege de nog aanwezige bewegingsvrijheid.

De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan specifieke gebeurtenissen zoals in de Wet omschreven. Er was geen grond voor vergoeding van proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk maken van oorlogsgeweld volgens de Wet.

Uitspraak

07/6744 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Indonesië (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 25 september 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 29 oktober 2007, kenmerk BZ 7920, JZ/W60/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2008. Appellant is daar niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door
mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In februari 2007 heeft appellant, geboren in 1940 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag gediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en een toeslag. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op gezondheidsklachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië. Daarbij heeft appellant vooral aangevoerd, samengevat, dat het gezin waartoe hij behoorde tijdens de Japanse bezetting feitelijk onder huisarrest stond vanwege de aanwezigheid van Japanse bewaking en ook verstoken was van adequate medische hulp als gevolg waarvan zijn broer is overleden. Verder is gesteld dat het gezin gedurende twee jaren na de capitulatie van Japan op de vlucht is geweest in verband met de heftige gevechten tussen de nationalisten en de geallieerde troepen.
1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 13 juni 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is, samengevat, dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet, aangezien in onvoldoende mate is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door onder de Wet vallend oorlogsgeweld.
1.3. In beroep heeft appellant benadrukt hoezeer zijn familie tijdens de oorlogsjaren heeft geleden, onder meer ook leidend tot de gevangenschap en mishandeling van zijn vader met blijvende gevolgen. Verder heeft appellant een schriftelijke verklaring van 5 september 2007 overgelegd van de toenmalige huisbediende mevrouw [naam huisbediende] over het gestelde huisarrest.
2. De Raad staat voor de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Dienaangaande wordt overwogen als volgt.
2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid onder a, b, d en f, van de Wet wordt - voor zover hier van belang en kort samengevat - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:
degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalige Nederlands-Indië (de Bersiapperiode) lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen
- ten gevolge van met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct
verbonden handelingen of omstandigheden;
- ten gevolge van direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen
door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden
tijdens de Bersiapperiode;
- ten gevolge van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de
Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de
Bersiapperiode.
2.2. De Raad stelt, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid onder a en b, of f, van de Wet.Hieruit volgt dat de door appellant tevens naar voren gebrachte ontwrichting van het (gezins)leven, de armoede en de dreiging die het gezin waartoe appellant behoorde heeft ervaren tengevolge van de Japanse bezetting en de onlusten gedurende de Bersiapperiode niet tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer kunnen leiden.
2.3. Bij het door verweerster ingestelde, zorgvuldig te noemen onderzoek, waarbij archieven van het Nederlandse Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en bij verweerster bekende dossiers van familieleden van appellant zijn geraadpleegd, is geen bevestiging gevonden van door appellant meegemaakte oorlogscalamiteiten als hiervoor onder 2.1 omschreven. Het feitelijk huisarrest waar appellant, evenals de voornoemde huisbediende in haar vermelde verklaring, over spreekt is niet als een calamiteit in de zin van de Wet aan te merken, gezien ook de bewegingsvrijheid die niettemin werd genoten.
2.4. Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden.
Daarmee is zeker niet miskend dat eiser tijdens de oorlogsjaren en de Bersiapperiode bijzonder angstige omstandigheden heeft ervaren. De erkenning als burger-oorlogs-slachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die wet omschreven specifieke gebeurtenissen.
3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 september 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD