ECLI:NL:CRVB:2008:BF5560
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellant, geboren in 1940 in het voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op gezondheidsklachten die hij toeschreef aan oorlogservaringen, waaronder huisarrest tijdens de Japanse bezetting en vluchtelingenperiodes tijdens hevige gevechten na de Japanse capitulatie.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was aangetoond dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet. Appellant voerde in beroep aan dat zijn familie zwaar had geleden, inclusief mishandeling van zijn vader, en overhandigde een verklaring van een voormalige huisbediende over het huisarrest.
De Raad overwoog dat algemene oorlogsomstandigheden waaraan velen blootstonden niet kwalificeren als oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Het onderzoek van verweerster, inclusief raadpleging van archieven en dossiers, leverde geen bevestiging van calamiteiten op. Het vermeende huisarrest werd niet als calamiteit aangemerkt vanwege de nog aanwezige bewegingsvrijheid.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit in rechte standhoudt en dat de erkenning als burger-oorlogsslachtoffer gebonden is aan specifieke gebeurtenissen zoals in de Wet omschreven. Er was geen grond voor vergoeding van proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk maken van oorlogsgeweld volgens de Wet.