ECLI:NL:CRVB:2008:BF8046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante verzocht in juni 2000 om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) wegens het overlijden van haar echtgenoot in februari 1998. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende haar een uitkering toe met ingang van juni 1999, maar weigerde verdere terugwerkende kracht toe te kennen omdat geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat de late aanvraag voortkwam uit onbekendheid met de regelgeving, wat geen bijzonder geval oplevert. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar situatie door ziekte, overlijden en onbekendheid met Nederlandse instanties een noodsituatie was, en dat sprake was van bijzondere hardheid omdat zij sinds februari 1998 geen inkomen had.
De Raad oordeelde dat de late aanvraag vooral te wijten was aan onbekendheid met de regels en dat het niet aannemelijk was dat appellante gedurende meer dan een jaar niet in staat was een aanvraag in te dienen. Ook stond het appellante vrij elders informatie in te winnen, bijvoorbeeld bij Turkse instanties. Daarom was geen sprake van een bijzonder geval en kon bijzondere hardheid niet worden beoordeeld.
De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees een verzoek om toepassing van artikel 8:75 Awb Pro af. Tevens werd een schadevergoeding van € 1.500,-- aan appellante toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarover partijen overeenstemming hadden bereikt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van een nabestaandenuitkering met verdergaande terugwerkende kracht wegens het ontbreken van een bijzonder geval.