ECLI:NL:CRVB:2008:BF8049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herhaalde aanvraag kinderbijslag en terugwerkende kracht bij ontbreken bijzonder geval
Appellante vroeg kinderbijslag aan voor haar dochter die in 2000 vanuit Rwanda naar Nederland kwam. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde aanvankelijk de uitkering omdat de wettige moeder niet was vastgesteld. Na een latere inschrijving van de dochter in de gemeentelijke basisadministratie werd kinderbijslag toegekend vanaf het derde kwartaal van 2004.
Appellante maakte bezwaar en vorderde kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf 2000, stellende dat sprake was van een bijzonder geval. De Svb wees dit af en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat eerdere documenten en geboorteaktes niet juist waren verwerkt en dat zij recht had op terugwerkende kinderbijslag.
De Raad oordeelde dat eerdere besluiten rechtens onaantastbaar waren omdat er geen rechtsmiddelen tegen waren ingesteld. De herhaalde aanvraag kon alleen worden behandeld indien er nieuwe feiten of omstandigheden waren, wat niet het geval was. Ook was geen sprake van een bijzonder geval zoals bedoeld in de wet, mede omdat appellante geen financiële hardheid had aangetoond.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee werd het beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de kinderbijslag wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.