ECLI:NL:CRVB:2008:BF9108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid bij herziening WAO-uitkering
Appellant was werkzaam als conciërge en viel uit wegens knieklachten. Het UWV kende hem een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat zijn belastbaarheid werd overschat, mede vanwege ernstige knieklachten voorafgaand aan een operatie op 1 juni 2005.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende onderbouwde dat appellant binnen de aangenomen belastbaarheid passende functies kon vervullen. De Centrale Raad van Beroep volgde dit oordeel en stelde vast dat de medische beperkingen op de datum in geding juist waren vastgesteld, ook gelet op rapportages van verzekeringsartsen en orthopedisch chirurgen.
De Raad overwoog dat de toename van klachten en de hogere mate van arbeidsongeschiktheid na de operatie niet leiden tot een onjuiste vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op de datum in geding. Tevens wees de Raad het argument af dat de levensstandaard van appellant bij de beoordeling betrokken had moeten worden, aangezien de WAO dit niet toestaat.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding juist is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.