ECLI:NL:CRVB:2008:BF9177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB als alleenstaande, maar het College stelde na onderzoek vast dat zij vanaf oktober 2003 een gezamenlijke huishouding voerde met [D.]. Dit werd bevestigd door verklaringen van appellante, [D.] en een campingbeheerder, waaruit bleek dat zij gedurende het jaar wisselend in elkaars woningen verbleven en zorg voor elkaar droegen.
De Raad oordeelde dat ondanks een tijdelijke periode van afzonderlijk wonen vanwege relatieproblemen, er geen relevante daadwerkelijke verbreking van de gezamenlijke huishouding was. Appellante had de gezamenlijke huishouding niet gemeld aan het College, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt.
Het College was daarom bevoegd de bijstand over de periode van 1 oktober 2003 tot 20 juni 2005 in te trekken en de kosten van €7.123,96 terug te vorderen. De Raad vond de vaste gedragslijn van het College om in dergelijke gevallen altijd tot intrekking en terugvordering over te gaan niet onredelijk en zag geen dringende redenen om hiervan af te wijken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.