ECLI:NL:CRVB:2008:BG1040
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.Th. Wolleswinkel
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaste aanstelling na tijdelijke proefperiode bij gemeente Cranendonck
Appellante was sinds 11 augustus 2003 tijdelijk in proefdienst bij de gemeente Cranendonck aangesteld. Het college besloot het dienstverband na verlenging niet voort te zetten vanwege noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen, niet vanwege haar functioneren. Appellante verzocht om herroeping van dit besluit omdat zij op eigen verzoek ontslag had genomen om een andere functie te aanvaarden, maar zij wilde terugkeren indien mogelijk.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen het besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat zij op eigen verzoek was vertrokken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellante wel degelijk belang had bij inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar, mede vanwege haar stelling dat zij schade had geleden door het besluit.
De Raad stelde vast dat het dienstverband per 11 augustus 2004 zou eindigen en dat het college haar tijdelijk verlenging tot 1 mei 2005 had gegeven. De vraag was of het college haar een vaste aanstelling had moeten verlenen. De Raad overwoog dat een vaste aanstelling normaal volgt op een positieve beoordeling van een proefperiode, tenzij er gewichtige bijzondere omstandigheden zijn, zoals bezuinigingen.
Het college had een bezuinigingsbesluit genomen en een vacaturestop ingesteld. De Raad vond aannemelijk dat deze maatregelen een vaste aanstelling in de weg stonden. Het college had zorgvuldig gehandeld door verlenging en faciliteiten voor het zoeken van ander werk te bieden. De eis van appellante om een vaste aanstelling te krijgen om gelijk te staan aan vaste medewerkers werd verworpen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar wees het bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard, maar het bezwaar tegen het besluit van het college wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.