ECLI:NL:CRVB:2008:BG1583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- H. Bedee
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering wegens vermeende afname arbeidsongeschiktheid niet gerechtvaardigd door onjuiste maatvrouwtoepassing
Appellante, werkzaam geweest als productiemedewerkster, ontving sinds 1995 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 5 december 2005 in, omdat zij meende dat de arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV volgde.
In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat de geselecteerde functies niet passend waren. De Raad concludeerde echter dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de functies binnen haar belastbaarheid vielen. De bezwaararbeidsdeskundige had de functies adequaat gemotiveerd, ook ten aanzien van bijzondere belasting en de eisen uit de Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst.
Desondanks erkende het UWV tijdens de zitting dat ten onrechte een maximering van de maatvrouw was toegepast, waardoor de arbeidsongeschiktheid onjuist was vastgesteld. Correctie hiervan leidt tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse (15-25%), waardoor de intrekking van de WAO-uitkering onterecht was. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van de maatvrouw.