ECLI:NL:CRVB:2008:BG1888
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum en terugwerkende kracht bijstandsuitkering op grond van WWB
Appellant ontving bijstand vanaf september 2001, maar deze werd opgeschort per november 2003. Het College herzag de bijstand over een eerdere periode en vorderde terugbetaling. Appellant diende pas in november 2005 een nieuwe aanvraag in. Het College kende bijstand toe vanaf die datum, zonder terugwerkende kracht, en sloot een schuld buiten de vermogensvaststelling omdat geen concrete terugbetalingsverplichting was aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. De Raad benadrukt dat bijstand in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De eerdere opschorting en beëindiging van bijstand vormen geen bijzondere omstandigheden, mede omdat appellant geen rechtsmiddelen tegen die besluiten heeft aangewend.
Verder oordeelt de Raad dat de schuld aan een derde niet in aanmerking genomen mocht worden bij vermogensvaststelling, omdat het bestaan van een concrete terugbetalingsverplichting niet is vastgesteld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd zonder terugwerkende kracht bij toekenning van bijstand.