ECLI:NL:CRVB:2008:BG1896
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante vroeg op 19 april 2006 een bijstandsuitkering aan en verklaarde alleenstaand te zijn en in te wonen bij een ander persoon. Het College van burgemeester en wethouders van Almere wees de aanvraag af op grond van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad beoordeelde dat appellante en de ander hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning en dat er sprake was van wederzijdse zorg, wat blijkt uit een financiële verstrengeling die verder gaat dan het delen van woonlasten. De verklaring van appellante en het huisbezoek vormden een toereikende grondslag voor het oordeel dat er geen zakelijke relatie was, mede omdat de betaalde bijdrage niet als reële zakelijke prijs kon worden beschouwd.
Hoewel later bij een nieuwe aanvraag per 12 juni 2006 bijstand werd toegekend vanwege gewijzigde omstandigheden en een andere verklaring van appellante, concludeerde de Raad dat de oorspronkelijke afwijzing terecht was. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor bijstand is terecht afgewezen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.