ECLI:NL:CRVB:2008:BG1926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds februari 1998 een AOW-pensioen berekend naar de norm voor een ongehuwde. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een onderzoek naar de rechtmatigheid van dit pensioen, waarbij werd vastgesteld dat appellant vanaf maart 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. De SVB herzag daarop het pensioen naar de gehuwdennorm en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna appellant in hoger beroep ging. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning was voldaan, ondanks dat appellant en zijn partner elk een eigen woonadres hadden. Dit werd onderbouwd met verklaringen van omwonenden en laag waterverbruik op het adres van de partner.
Ook werd geoordeeld dat het criterium van wederzijdse zorg was vervuld, en dat de verklaringen van appellant en zijn partner, ondanks latere herroeping, geldig bleven omdat er geen aanwijzingen waren voor ontoelaatbare druk of onwaarheid. De Raad concludeerde dat de SVB terecht het pensioen had herzien en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen bevestigd.