ECLI:NL:CRVB:2008:BG2731

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6339 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 49 WAOArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WAO-uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd niet leeftijdsdiscriminatie

Appellant stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van zijn WAO-uitkering door het UWV, omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar had bereikt. Het UWV had de uitkering per december 2005 stopgezet en het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat de beëindiging van de uitkering bij het bereiken van 65 jaar dwingendrechtelijk is voorgeschreven in artikel 49, eerste lid, van de WAO.

Appellant voerde aan dat sprake was van leeftijdsdiscriminatie, maar de rechtbank verwierp dit met verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Raad. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en maakte deze tot de zijne. Daarnaast wees de Raad erop dat de procedure niet diende om de anticumulatie van Duitse en Nederlandse uitkeringen te bespreken, aangezien dit niet aan de orde was in het bestreden besluit.

De Raad zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, noch aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, zoals appellant had verzocht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

06/6339 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2006, 05/4101 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij diverse faxberichten heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Houtbeckers.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 4 juli 2005 heeft het Uwv appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van de eerste dag van december 2005 beëindigd op de grond dat appellant in die maand de 65-jarige leeftijd bereikte. Appellants bezwaar tegen dit besluit is bij het bestreden besluit van 16 augustus 2005 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de beëindiging van de uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd in artikel 49, eerste lid, van de WAO dwingendrechtelijk is voorgeschreven en dat het Uwv niet bevoegd is van deze bepaling af te wijken. Appellants stelling dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie, heeft de rechtbank met verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad verworpen.
3.1. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.
3.2. Voor zover appellant heeft beoogd in deze procedure tevens de anticumulatie van zijn Duitse en zijn Nederlandse uitkeringen ter discussie te stellen, merkt de Raad op dat het bestreden besluit daarop niet ziet, zodat dit in deze procedure niet aan de orde kan komen.
3.3. De Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, zoals appellant heeft verzocht. Voorts merkt de Raad op dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet voorziet in de mogelijkheid tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarom appellant eveneens heeft verzocht.
3.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2008.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
OA