ECLI:NL:CRVB:2008:BG2731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering bij bereiken 65-jarige leeftijd niet leeftijdsdiscriminatie
Appellant stelde hoger beroep in tegen de beëindiging van zijn WAO-uitkering door het UWV, omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar had bereikt. Het UWV had de uitkering per december 2005 stopgezet en het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat de beëindiging van de uitkering bij het bereiken van 65 jaar dwingendrechtelijk is voorgeschreven in artikel 49, eerste lid, van de WAO.
Appellant voerde aan dat sprake was van leeftijdsdiscriminatie, maar de rechtbank verwierp dit met verwijzing naar eerdere jurisprudentie van de Raad. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze overwegingen en maakte deze tot de zijne. Daarnaast wees de Raad erop dat de procedure niet diende om de anticumulatie van Duitse en Nederlandse uitkeringen te bespreken, aangezien dit niet aan de orde was in het bestreden besluit.
De Raad zag geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, noch aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, zoals appellant had verzocht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAO-uitkering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd en wijst het hoger beroep af.