ECLI:NL:CRVB:2008:BG3636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- H. Bedee
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, arbeidsongeschikt geraakt door een dienstongeval, werd vanaf 11 september 2001 aangemerkt met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het Uwv herzag zijn WAO-uitkering per 6 juni 2005 naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze herziening ongegrond, waarbij het medisch oordeel van de verzekeringsarts en de arbeidskundige beoordeling werden onderschreven.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn pijnklachten en beperkte belastbaarheid onvoldoende werden erkend, en dat het dagverhaal van de verzekeringsarts onvolledig was. Tevens betwistte hij dat zijn bestuursactiviteiten in de avonduren en weekenden meegewogen mochten worden bij de belastbaarheid.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstigere beperkingen of een urenbeperking. Het dagverhaal was slechts een onderdeel van de beoordeling en niet doorslaggevend. De subjectieve klachtenbeleving van appellant was niet beslissend voor de objectieve vaststelling van beperkingen. Ook achtte de Raad de geselecteerde functies passend binnen de vastgestelde belastbaarheid.
Daarmee faalde het hoger beroep en werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.