ECLI:NL:CRVB:2008:BG3716

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5422 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vernietiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering

Appellante kreeg bericht van het UWV dat zij onverschuldigd WAO-uitkeringen had ontvangen over de periode 1999 tot 2003, en dat een bedrag van €30.411,13 werd teruggevorderd. Het UWV paste dit bedrag aan via brutering en beperkte de terugvordering tot €25.420,74 vanwege bevoegdheidsbeperkingen.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen daarvan met toepassing van artikel 8:72 lid 3 Awb Pro in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen dit deel van de uitspraak, zonder nieuwe gronden aan te voeren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank de grieven van appellante voldoende heeft gemotiveerd en bevestigt het vonnis. De Raad wijst erop dat het hoger beroep niet slaagt en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

05/5422 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te Amsterdam (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2005, 04/5404 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 31 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Degelink, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, alsmede naar de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 20 juli 2007, 05/3317 WAO, volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 3 december 2003 heeft het Uwv appellante bericht dat over de periode 1 januari 1999 tot 1 juli 2003 onverschuldigd uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en Invaliditeitspensioen is betaald en dat een bedrag van in totaal € 30.411,13 van haar wordt teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 15 oktober 2004 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het besluit van 3 december 2003 gehandhaafd. Hierbij heeft het Uwv het terugvorderingsbedrag aangepast. Deze aanpassing vindt grondslag in de zogenoemde brutering. Voorts heeft het Uwv de terugvordering beperkt tot een bedrag van € 25.420,74 aangezien het Uwv niet bevoegd is te beslissen omtrent de terugvordering van tot 1 januari 2002 onverschuldigd betaald Invaliditeitspensioen.
1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft tevens aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten.
2.1. In hoger beroep heeft appellante zich gekeerd tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft appellante geen andere relevante gronden naar voren gebracht dan die welke ook al bij de rechtbank zijn aangevoerd.
3.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en onderschrijft deze volledig.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de - in hoger beroep herhaalde - grief tegen de berekening van de hoogte van de inkomsten miskent dat het bestreden besluit in deze procedure daar niet over handelt, maar ziet op de bedragen die onverschuldigd zijn uitgekeerd en worden teruggevorderd.
3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) M. Lochs.
TM