ECLI:NL:CRVB:2008:BG3730

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1118 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 30 november 2005 in te trekken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berustte.

In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit op een juiste medische grondslag berustte, omdat onvoldoende rekening was gehouden met haar nek-, hoofd- en schouderklachten veroorzaakt door een nekhernia. Tevens voerde zij aan dat bij voldoende erkenning van haar beperkingen bepaalde functies niet als passend konden worden beschouwd.

De Raad overwoog dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts ook deze klachten betrof en dat op basis van de klachten beperkingen voor tillen, dragen en frequent zware lasten hanteren waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van januari 2006. De nekhernia was pas in 2007 vastgesteld en er was geen bewijs dat deze op de datum in geding (30 november 2005) bestond of meer beperkingen veroorzaakte dan in de FML waren opgenomen.

Ook aanvullende medische informatie over de gezondheidstoestand van appellante uit 2004 was niet relevant voor de situatie op de datum in geding. De Raad concludeerde dat de gronden van beroep niet slaagden en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 30 november 2005 wordt bevestigd.

Uitspraak

07/1118 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 januari 2007, 06/3097 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 oktober 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.L. Gijsberts, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2008. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Gijsberts. Het Uwv was niet vertegenwoordigd.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv ongegrond verklaard de bezwaren van appellante gericht tegen het besluit van 30 september 2005, waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellante, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 30 november 2005 heeft ingetrokken. De intrekking heeft plaatsgevonden op grond van de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 30 november 2005 minder dan 15% was.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 27 februari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het besluit van 27 februari 2006 op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.
3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij zich niet met de uitspraak kan verenigen. Naar haar opvatting is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het besluit van 27 februari 2006 op een juiste medische grondslag berust. Naar haar mening heeft de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende oog gehad voor haar nek-, hoofd- en schouderklachten. Appellante heeft er in dit verband op gewezen dat inmiddels is gebleken dat deze klachten worden veroorzaakt door een nekhernia.
3.2. Appellante heeft voorts aangevoerd dat indien voldoende rekening was gehouden met haar beperkingen genoemd in rechtsoverweging 3.1 de functies van wasserijmedewerker, productiemedewerker en huishoudelijk medewerker vermoedelijk niet aan de schatting ten grondslag zouden zijn gelegd.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Uit het aan het besluit van 27 februari 2006 mede ten grondslag liggende rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 januari 2006 blijkt dat het medisch onderzoek verricht door deze arts zich mede heeft gericht op de in rechtsoverweging 3.1 genoemde klachten. Van het bestaan van functiebeperkingen is niet gebleken.Op basis van de door appellante geuite klachten is appellante niettemin beperkt geacht voor tillen en dragen en frequent zware lasten hanteren, zoals nader omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 januari 2006.
Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd, noch uit de stukken die zij heeft overgelegd is de Raad gebleken dat op onvoldoende wijze met de klachten van appellante rekening is gehouden. De nekhernia is blijkens de door de huisarts verstrekte informatie in 2007 geconstateerd. Uit deze informatie blijkt niet dat deze hernia ook reeds op de datum in geding - 30 november 2005 - bestond en op die datum meer beperkingen veroorzaakte dan in de FML van 20 januari 2006 zijn opgenomen.
4.2. Uit de door de huisarts tijdens de procedure in hoger beroep verstrekte informatie afkomstig van de cardioloog, welke informatie ziet op de situatie per 20 augustus 2004, blijkt slechts dat deze cardioloog geen structurele afwijkingen heeft gevonden. De overige door de huisarts verstrekte informatie ziet niet op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding en is hiermee ook niet in relatie te brengen.
Ook deze informatie leidt mitsdien niet tot het oordeel dat op de datum in geding meer of ernstigere beperkingen bij appellante aanwezig zijn dan opgenomen in de FML van 20 januari 2006.
4.3. De gronden van beroep die zich richten tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 27 februari 2006 op een juiste medische grondslag berust, slagen dan ook niet. De beroepsgrond vermeld in rechtsoverweging 3.2 behoeft mitsdien geen bespreking.
4.4. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2008.
(get.) J. Brand.
(get.) M. Lochs.
RB