ECLI:NL:CRVB:2008:BG3730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, per 30 november 2005 in te trekken vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berustte.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit op een juiste medische grondslag berustte, omdat onvoldoende rekening was gehouden met haar nek-, hoofd- en schouderklachten veroorzaakt door een nekhernia. Tevens voerde zij aan dat bij voldoende erkenning van haar beperkingen bepaalde functies niet als passend konden worden beschouwd.
De Raad overwoog dat het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts ook deze klachten betrof en dat op basis van de klachten beperkingen voor tillen, dragen en frequent zware lasten hanteren waren vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van januari 2006. De nekhernia was pas in 2007 vastgesteld en er was geen bewijs dat deze op de datum in geding (30 november 2005) bestond of meer beperkingen veroorzaakte dan in de FML waren opgenomen.
Ook aanvullende medische informatie over de gezondheidstoestand van appellante uit 2004 was niet relevant voor de situatie op de datum in geding. De Raad concludeerde dat de gronden van beroep niet slaagden en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 30 november 2005 wordt bevestigd.