ECLI:NL:CRVB:2008:BG3731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering, die was gebaseerd op een vaststelling dat haar arbeidsongeschiktheid per 15 april 2006 minder dan 15% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het besluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand vanwege een later verstrekte arbeidskundige onderbouwing.
In hoger beroep stelde appellante dat haar medische beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat zij ernstiger beperkt was dan aangenomen. Zij kondigde een neurologische expertise aan om haar standpunt te onderbouwen, maar bracht deze niet in. De Raad overwoog dat de rechtbank de medische gronden van appellante voldoende had besproken en gemotiveerd waarom deze niet slaagden.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep geen doel treft en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er waren geen nieuwe gronden aangevoerd en er waren geen redenen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd.