ECLI:NL:CRVB:2008:BG3961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- M.C.M. van Laar
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante verzocht om een WAO-uitkering wegens pulmonale hypertensie, waarbij zij stelde dat haar klachten al in 2001 aanwezig waren maar destijds ten onrechte als bronchitis waren afgedaan. Het UWV weigerde de uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na 15 juni 2001 was ontstaan uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde dat artikel 43a WAO van toepassing is en dat er geen aanwijzingen waren dat de longaandoening in 2001 al beperkingen veroorzaakte.
In hoger beroep werd aangevoerd dat de longziekte mogelijk sluimerend aanwezig was en dat rugklachten waren verergerd, maar de bezwaarverzekeringsarts kon dit niet medisch onderbouwen. De Raad achtte aannemelijk dat voorzieningen zoals scootmobiel en traplift verband hielden met longklachten en niet met rugklachten. De Raad onderschreef het oordeel dat er geen toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarbij de vermelding van een onjuist wetsartikel geen nadeel opleverde. Er was geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De weigering van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar.