ECLI:NL:CRVB:2008:BG4119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf februari 2004
Appellante kreeg vanaf maart 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij werd vastgesteld dat zij vanaf februari 2004 een gezamenlijke huishouding voert met [B.].
De Sociale verzekeringsbank beëindigde daarop het recht op de uitkering met terugwerkende kracht tot 29 februari 2004. Appellante betwistte dit en voerde aan dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf juni 2005 bestond. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en ook in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de gezamenlijke huishouding reeds vanaf februari 2004 bestond.
De Raad baseerde zich op het onderzoek, dossiergegevens en verklaringen van appellante en [B.] die overeenstemden over het gebruik van beide woningen en de zorg voor elkaar. De Raad vond geen reden om het standpunt van appellante te volgen dat er onvoldoende bewijs was voor gezamenlijke huishouding vanaf februari 2004. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gezamenlijke huishouding vanaf februari 2004 bestond en wijst het beroep van appellante af.