ECLI:NL:CRVB:2008:BG4213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- H. Bedee
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlate aanvraag WAZ-uitkering wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante vroeg een WAZ-uitkering aan per 14 mei 2004 met ingang van februari 2000 wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid door een kwaadaardige tumor. Het Uwv kende de uitkering toe met ingang van 14 mei 2003, één jaar voor de aanvraagdatum. Appellante maakte bezwaar tegen de ingangsdatum en stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals haar ziekte, de verzorging van haar dementerende moeder en haar veronderstelling dat zij niet lang meer te leven had, haar verhinderden eerder een aanvraag in te dienen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante fysiek en geestelijk niet gehinderd was om eerder een aanvraag te doen. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel. Volgens vaste jurisprudentie kan slechts sprake zijn van een bijzonder geval als de verzekerde redelijkerwijs niet in verzuim kan worden geacht, bijvoorbeeld omdat zij buiten staat was eerder een aanvraag te doen.
De Raad concludeert dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij buiten staat was tot tijdige aanvraag. Zij was in de betrokken periode weliswaar belast met zorg voor haar moeder en had gezondheidsproblemen, maar kon haar belangen adequaat behartigen, mede door de inzet van haar echtgenoot. Ook heeft zij aandacht aan haar werk besteed. Daarom is het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank terecht en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de WAZ-uitkering blijft één jaar voor de aanvraagdatum.