ECLI:NL:CRVB:2008:BG4384

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-881 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terug te komen op besluit loonbetalingsverplichting WW

Appellante verzocht het UWV om overneming van de loonbetalingsverplichting op grond van de Werkloosheidswet, welke aanvraag op 27 februari 2006 werd afgewezen omdat zij berust zou hebben in haar ontslag op staande voet. Dit besluit en daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedures werden door het UWV en de rechtbank bevestigd.

Appellante stelde in hoger beroep dat zij de nietigheid van het ontslag had ingeroepen en dat een concept-dagvaarding was opgesteld, maar dat de procedure pas kon worden voortgezet na het verkrijgen van een toevoeging van de Raad voor Rechtsbijstand. De Raad oordeelde echter dat deze informatie reeds bekend was tijdens de eerdere procedures en derhalve geen nieuwe feiten of omstandigheden vormde in de zin van artikel 4:6 Awb Pro.

Verder overwoog de Raad dat de vermeende onjuistheid van het oorspronkelijke besluit geen rol speelt bij de toetsing van de terugkomprocedure. Er waren ook geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd daarom bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

08/881 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 december 2007, 06/8957 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 oktober 2008.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2008. Namens appellante is verschenen mr. E.C. Kerkhoven, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om overneming van de loonbetalingsverplichting op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet afgewezen op de grond dat appellante berust heeft in haar ontslag op staande voet. Het hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 11 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit van 11 april 2006 is ongegrond verklaard. Het hiertegen gedane verzet is ongegrond verklaard.
2. Bij besluit van 18 september 2006 heeft het Uwv het verzoek van appellante om op het besluit van 27 februari 2006 terug te komen afgewezen. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij het bestreden besluit van 17 oktober 2006 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Appellante heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat de nietigheid van het ontslag op 15 juni 2005 is ingeroepen, dat in verband daarmee door haar gemachtigde een concept-dagvaarding is opgesteld, dat deze gemachtigde de procedure niet wilde voortzetten voordat een toevoeging was verleend door de Raad voor Rechtsbijstand en dat deze toevoeging pas op 27 februari 2006 is verstrekt. Deze informatie was echter al ten tijde van de vorige procedure bekend en is in die procedure ook door appellante naar voren gebracht. De Raad is dan ook met het Uwv en de rechtbank van oordeel dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vermeld.
4.2. Met betrekking tot de stelling van appellante dat in het besluit van 27 februari 2006 ten onrechte is aangenomen dat zij in haar ontslag heeft berust, overweegt de Raad dat de - eventuele - onjuistheid van het oorspronkelijke besluit bij de rechterlijke beoordeling van de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb geen rol speelt.
4.3. Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.J.A. Reinders.
HD