ECLI:NL:CRVB:2008:BG4930
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- C.P.J. Goorden
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep ingetrokken; geen vergoeding immateriële schade wegens redelijke termijn
Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een besluit van het UWV. Tijdens de procedure heeft het UWV meerdere nieuwe beslissingen op bezwaar genomen. Uiteindelijk trok appellante het hoger beroep in en verzocht om vergoeding van immateriële schade en proceskosten.
De Raad beoordeelde of de totale duur van de procedure, vanaf het bezwaarschrift tot de uitspraak, de redelijke termijn had overschreden. Geconcludeerd werd dat de termijn niet zodanig lang was dat sprake was van schending van artikel 6 EVRM Pro. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Wel oordeelde de Raad dat het UWV in de proceskosten van appellante in hoger beroep moest worden veroordeeld, begroot op € 644,-. Ten aanzien van het griffierecht gaf de Raad aan dat appellante zich tot de rechtbank of rechtstreeks tot het UWV kan wenden voor vergoeding.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 november 2008.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen; het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 644,-.