ECLI:NL:CRVB:2008:BG5049

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-7042 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning burger-oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende blijvende invaliditeit

Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in april 2007 een aanvraag in voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en toekenning van een periodieke uitkering op grond van lichamelijke en psychische klachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat appellant weliswaar door oorlogsgeweld was getroffen, maar niet voldeed aan de eis van lichamelijk en/of psychisch letsel dat leidt tot blijvende invaliditeit. Psychische klachten zoals nachtmerries en herbelevingen werden erkend, maar deze leidden slechts tot geringe beperkingen in het dagelijks functioneren. Lichamelijke klachten werden niet aan de oorlogservaringen toegerekend.

In beroep benadrukte appellant de toename van zijn psychische klachten en stelde dat zijn lichamelijke klachten mede door de slechte kampomstandigheden waren veroorzaakt. De Raad baseerde zich op medische adviezen, waaronder een uitgebreid onderzoek door arts R.J. Roelofs, en concludeerde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Er waren geen aanwijzingen om aan de juistheid van de medische adviezen te twijfelen.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af. Het besluit tot afwijzing van de aanvraag blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot erkenning als burger-oorlogsslachtoffer blijft in stand.

Uitspraak

07/7042 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 6 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 11 december 2007, kenmerk BZ 8102, JZ/R70/2007 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2008. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. In april 2007 heeft appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van onder meer een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft appellant gebaseerd op lichamelijke en psychische klachten, die naar zijn mening een gevolg zijn van zijn oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.
1.2. Verweerster heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 9 oktober 2007, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Overwogen is dat appellant weliswaar is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet - te weten zijn internering in de Kaderschool en kamp Meteseh/Pa van der Steur te Magelang tijdens de naoorlogse Bersiapperiode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit. Hierbij is in aanmerking genomen dat bij appellant wel sprake is van aan zijn oorlogs-ervaringen toe te schrijven psychische klachten, bestaande uit nachtmerries en herbelevingen, maar dat deze klachten slechts geringe beperkingen opleveren in zijn dagelijks functioneren. Voorts is in aanmerking genomen dat de lichamelijke klachten van appellant niet gerelateerd kunnen worden aan zijn oorlogservaringen, maar duidelijke andere oorzaken hebben.
1.3. In beroep heeft appellant vooral benadrukt dat hij steeds meer last heeft van de beschreven psychische klachten. Verder is appellant van mening dat zijn lichamelijke klachten wel degelijk mede zijn bepaald door de slechte levensomstandigheden ten tijde van zijn kampverblijf.
2. Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
2.1. Blijkens de gedingstukken is het medisch standpunt van verweerster in overeen-stemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Die adviezen berusten op de resultaten van een op verzoek van verweerster door een van deze geneeskundig adviseurs, de arts R.J. Roelofs, ingesteld medisch onderzoek van appellant en op informatie uit de behandelende sector.
2.2. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. In de ter beschikking staande medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die adviezen te twijfelen.
Hierbij laat de Raad wegen dat de arts Roelofs zeer uitvoerig aandacht heeft besteed aan de door appellant naar voren gebrachte psychische klachten en de gevolgen die deze voor hem hebben in het leven van alledag. Uit die rapportage blijkt dat appellant weliswaar door die klachten wordt geplaagd maar niet dat deze - althans ten tijde van het beoordelingstijdstip - hem in aanmerkelijke mate hinderen in zijn functioneren. Verder is in die rapportage een gemotiveerd standpunt ingenomen over de andere oorzaken van de lichamelijke klachten van appellant. Medische gegevens die op de situatie van appellant een ander licht werpen, zijn niet voorhanden.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 november 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. van Berlo.
HD