ECLI:NL:CRVB:2008:BG5155

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2410 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omzetting loondervingsuitkering in vervolguitkering zonder terugwerkende verlaging

Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar loondervingsuitkering om te zetten in een vervolguitkering met een lager bedrag. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Het is voldoende gebleken dat appellante gedurende de wettelijk vastgestelde termijn van twee jaar een loondervingsuitkering heeft ontvangen en dat zij aansluitend feitelijk en overeenkomstig de wettelijke regeling een vervolguitkering ontving. De mededeling van het UWV over de vervolguitkering vond pas later plaats, maar dit leidt niet tot strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De Raad overweegt dat er geen sprake is van een terugwerkende verlaging van de uitkering en dat appellante niet benadeeld is omdat zij feitelijk de juiste uitkering heeft ontvangen. De eerdere communicatie via een beschikking in plaats van een informatiebriefje leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De omzetting van de loondervingsuitkering in een vervolguitkering is rechtmatig en het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/2410 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 maart 2007, 06/1708 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 november 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Atema, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2008. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. G.A. Tellinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat haar loondervingsuitkering met ingang van 19 juni 2002 wordt omgezet in een vervolguitkering en dat deze vervolguitkering € 383,99 bruto per maand bedraagt.
1.3. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 7 juni 2006 (bestreden besluit 1) niet-ontvankelijk verklaard. De informatie met betrekking tot de vervolguitkering had volgens het Uwv middels een informatiebriefje verstrekt moeten worden en niet middels een beschikking.
1.4. Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft het Uwv op 11 augustus 2006 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen, waarbij het eerder ingenomen standpunt is verlaten en het bezwaar van appellante ongegrond is verklaard. In dit besluit is overwogen dat geen sprake is van een verlaging van de uitkering met terugwerkende kracht. Uit de aan appellante verstrekte gegevens blijkt dat met ingang van 19 juni 2002 een vervolguitkering aan haar is uitbetaald.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en daarbij beslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat appellante gedurende de wettelijk vastgestelde termijn van twee jaar een loondervingsuitkering heeft ontvangen en dat zij aansluitend per 19 februari 2002 (lees: 19 juni 2002) feitelijk en overeenkomstig de wettelijke regeling de vervolguitkering heeft ontvangen. De enkele omstandigheid dat aan appellante eerst per 7 juni 2006 (lees:
22 februari 2006) schriftelijk is meegedeeld wat zij vanaf 19 februari 2002 (lees: 19 juni 2002) in feite al ontving, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat daarmee en daarom in strijd zou zijn gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en dat om die reden aan haar, in afwijking van de wettelijke bepalingen ter zake, een hogere uitkering (ter hoogte van de loondervingsuitkering) zou moeten worden toegekend. De omstandigheid dat appellante niet op de hoogte was van de wettelijke bepalingen ter zake leidt volgens de rechtbank evenmin tot dit oordeel.
De rechtbank benadrukt nog dat appellante steeds, en derhalve vanaf 19 februari 2002 (lees: 19 juni 2002) feitelijk de juiste uitkering heeft ontvangen en dat er met het besluit van 7 juni 2006 (lees: 22 februari 2006) geen sprake is van een herziening of intrekking met terugwerkende kracht. Ook is de rechtbank niet gebleken dat appellante benadeeld zou zijn nu zij toegekend heeft gekregen waar zij rechtens recht op had.
3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt goeddeels een herhaling van het gestelde in eerste aanleg en geeft de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel.
4. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 november 2008.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E.M. de Bree.
RB